Interview wethouder Bladel

11-04-2006 - In het themanummer van het blad CobouwTotaal over de Bouwrai is een interview opgenomen met wethouder Frits Pijnenburg van de gemeente Bladel. Pijnenburg is initiatiefnemer voor de ontwikkeling van goedkope starterswoningen in Casteren. Zie ook de voorgaande artikelen Woningen 40% onder marktprijs! , Achtergrondinformatie Bladel , Starters ontwikkelen project . Door het succes reist Pijnenburg het hele land door om lezingen te geven over het geslaagde project. “Met deze manier van ontwikkelen, bouw je geen woningen, je bouwt een buurt”, zo mag hij zijn filosofie graag omschrijven.

Hoe kan het dat in Bladel het collectief opdrachtgeverschap zo is aangeslagen?
“De woningnood in de gemeente Bladel was heel hoog, met name voor starters. De woningen in onze gemeente zijn relatief duur. Starters kwamen gewoon niet aan de bak. Toen hebben we het idee opgevat om via collectief opdrachtgeverschap de toekomstige bewoners hun eigen huizen te laten ontwikkelen, omdat je zo veel geld kunt besparen. We hebben drie projecten, in Casteren waar de huizen al zijn bewoond, in Netersel waar de bouw nu bezig is en in Hoogeloon waar op dit moment wordt aanbesteed. De gemeente heeft grond verworven en die goedkoper aangeboden. Voorwaarde was wel dat als de eigenaar zijn huis weer wil verkopen, hij het huis niet op de vrije markt kan aanbieden, maar voor een lager tarief dan de marktwaarde weer aan een corporatie moet aanbieden. Zo blijven de huizen betaalbaar voor starters. De woning is dus geen beleggingsobject, maar de bewoner koopt omdat hij prettig wil wonen.”

Waarom heeft de gemeente zich er zo voor ingezet?
“De gemeente wilde de slag maken de woningbouw zo te organiseren dat diegene om wie het eigenlijk allemaal is begonnen, tevreden is: de burger zelf. In Nederland zit tussen de overheid en de burgers een heel netwerk van ontwikkelaars, aannemers en architecten. Daarom verstaan ze elkaar niet goed. Wij wilden ons woningbouwbeleid koppelen aan sociale doelstellingen, zodat ook voor starters op de woningmarkt, voor wie het moeilijk is om aan een huis te komen, kansen werden gecreëerd. Wat daarvoor nodig is, is dat de gemeente durft los te laten. Bestuurders zijn gewend om zich van begin tot einde bezig te houden met een ontwikkelingstraject. Die gedachte moet worden losgelaten. De overheid moet minder dicteren en meer inspireren.”

Pakt deze manier van ontwikkelen niet juist negatief uit voor die groep van ontwikkelaars, aannemers en architecten over wie u het heeft?
“Op de bouwplaats heb ik nooit een onvertogen woord gehoord over deze manier van werken. Maar inderdaad, de hoge bazen hebben het er niet makkelijk mee. Die moeten ineens met dertig personen overleggen in plaats van met één corporatie. Daarom is het noodzakelijk dat er een deskundig bureau bij betrokken is voor de specifieke bouwkennis. Dan hoeft deze manier van woningbouw niet heel erg te verschillen van de gebruikelijke, de bouwvergaderingen worden gewoon met het deskundige bureau gehouden. De aannemerij krijgt tegenwoordig te maken met meer vraaggerichte markt dan de van oudsher aanbodgerichte markt. De markt verandert, dus de bouwsector zal wel mee moeten veranderen, wil hij mee kunnen groeien. Maar mijn idee is dat dat ook gebeurt op het moment. Het aantal hits via Google op internet bij particulier opdrachtgeverschap spreekt boekdelen, er is steeds meer over te vinden, en de slimme bouwers kunnen daar handig op inspelen.”

U geeft lezingen door het hele land, u komt op veel plekken. Hoe is de stand van zaken met het toepassen van particulier of collectief opdrachtgeverschap?
“De grap is dat vaak als ik een lezing heb gegeven, vooral in de Randstad, ik schouderklopjes alom krijg. Overal zit de zaal vol. Maar vervolgens roept men dat het bij hen toch wel heel anders is, omdat het gaat om projecten van duizenden woningen in plaats van enkele tientallen. Ik denk dan: splits het op. Ontwikkeling in de provincie hoeft nergens in te verschillen van die in de Randstad. Maar juist op de plekken waar het zo hard nodig is, waar de herstructurering in volle gang is, wordt nog veel te weinig met particulier opdrachtgeverschap gedaan. Terwijl het juist in de Randstad zoveel nut zou hebben. Want wat collectief opdrachtgeverschap ook tot gevolg heeft, is dat zich een sociaal proces ontwikkelt tussen de deelnemers. Er ontstaat sociale cohesie. Je bouwt een buurt. De leefbaarheid van ons land is gediend met deze vorm van woningbouw.”

Bron: CobouwTotaal, maart 2006